De brandstof (normale benzine) stroomt o.i.v. de zwaartekracht via een kraan met benzinefilter uit de tank naar de vlotterkamer van de carburateur. De benzinekraan heeft drie standen: dicht-open-reserve. In de carburateur vindt vermenging van de benzine met aangezogen lucht plaats. Dit mengsel wordt o.i.v. de door de zuigerwerking veroorzaakte onderdruk het carter ingezogen, via spoelpoorten in de cilinder de verbrandingsruimte ingeperst, samengedrukt door de omhoogkomende zuiger en vervolgens ontstoken. Om een gunstiger ademhaling te verkrijgen is tussen carburateur en cilinder een membraan geplaatst, een soort klep in de vorm van een rubber flap, welke door de onderdruk wordt geopend. |